Lummelen en falen zijn twee belangrijke bezigheden voor een raamambtenaar. Dat had Debby geleerd van Marieke van Dijk en Saakje Bakker. Maar hoe kon je én lummelen, én falen, én dan ook nog succesvol zijn als raamambtenaar? En was dat niet met elkaar in tegenspraak? Nee joh. Lummelen heb je nodig om tot goede ideeën en inzichten te komen. Lummelen is ogenschijnlijk bezig zijn met geautomatiseerde handelingen waarbij gedachten vrijelijk kunnen springen in je brein.
En falen heb je nodig om steeds beter te worden. Niemand is gelijk succesvol. Je bereikt al falend de top. Falen zorgt ervoor dat je je strategie bijstelt om zo tot succes te komen.

Dat waren twee waardevolle lessen geweest. Tijd om er een derde les aan toe te voegen. En daarvoor moest Debby in de auto stappen en afreizen naar Amsterdam. Een behoorlijke reis in onstuimig weer met files op vijfbaanswegen, waarvan je je serieus af kon vragen; waarom is hier file? Ruimte zat! Maar goed … ze was gearriveerd bij Café Restaurant Polder op het Science Park in Amsterdam. Een restaurant dichtbij een universiteit met gratis parkeren. Een unicum in Amsterdam.

Onderweg had Debby al handsfree gebeld met Ester Oude Nijhuis dat ze waarschijnlijk wat later zou aankomen. Er stonden een drietal mannen te barbecueën langs de kant van de weg. Ten minste daar leek het van een afstandje op. Dat zorgde voor wat oponthoud.

Uiteindelijk kwam Debby op tijd aan. En toen was het de beurt aan Ester om half in paniek te bellen naar Debby. Waar kon ze parkeren? Hoe kon ze daar komen? En waar was ze nu? Debby was nog nooit in dit deel van Amsterdam geweest, dus de lamme ging de blinde helpen.
‘Wat zie je dan?’, vroeg Debby ogenschijnlijk kalm.
‘Ja … een … uh … groen gebouw?’, zei Ester terwijl haar ogen de omgeving afspeurden.
‘Mintgroen?’, alsof de kleurschakering er toe doet, dacht Debby bij zichzelf.
‘Ja, zoiets. Het is best hoog.’
‘Ik zie ook zoiets. Voor Zeeuwse begrippen is het een hoog gebouw. Er staat nog een lagere versie naast. Ongeveer zes verdiepingen. En er tegenover staat een roestbruin iets met een punt dak.’
‘O ja. Dat zie ik ook.’
‘Wacht ik loop even naar de weg. …. Heb jij een grijze auto?’ Debby stiefelde op haar platte schoenen over de kiezels naar de kant van de weg.
‘Nee. Een zwarte.’
‘Is het een Audi en sta je langs de kant van de weg?’
‘Ja.’
‘Oké. Dan ga ik nu naar je staan zwaaien. Zie je me?’
‘Ja. Ik zie je. Ik kom er aan.’

‘Wat een wind, hè? Kom we gaan eerst naar binnen. Lekker eten en opwarmen.’
‘Doen we.’

Café Restaurant Polder was een ruim opgezette ruimte met vintage stoelen en tafels. Er lag een gezellige hond op de grond. En er was een beknopte kaart met lekker, simpel eten. Ester nam de croque madame en Debby nam de aardappelsoep met saffraan. En toen was het tijd om elkaar beter te leren kennen. Ester en Debby hadden elkaar al eerder een keer gebeld. Dus het voelde niet helemaal nieuw, maar gek genoeg had geen enkele gesprekspartner tot nu toe als vreemde gevoeld. Er was altijd een klik, een gezamenlijk streven. En dat zorgde ervoor dat alle gesprekken vrijwel meteen de diepte in gingen. En dat was mooi. Zeker voor iemand die zichzelf niet als heel sociaal bestempelde.

‘Kun je mij vertellen wanneer je succesvol bent als ambtenaar?’, vroeg Debby tussen twee lepels soep door aan Ester.
‘Ja.’ Ester moest even een hap wegslikken, voordat ze het woord kon nemen. ‘Dat bestaat voor mij uit drie pijlers. Het belangrijkste is dat je moet werken aan je relaties binnen en buiten de organisatie. Dat is je marketing. De tweede pijler is dat je volledig achter je onderwerp moet staan. Je moet erin geloven en er dan ook echt voor haan. De derde en laatste pijler is dat je moet nadenken over waar je naartoe wilt. Welke doelen wil je bereiken?’

Drie pijlers, dacht Debby. En ze lagen ook nog eens heel erg voor de hand, maar in de waan van de dag deed ze het niet. ‘Hoe ben je aan deze drie pijlers gekomen?’

‘Tja … het is iets wat ik me heel graag had willen realiseren toen ik nog ambtenaar was. Ik had zoveel meer kunnen bereiken. Toen ik ondernemer werd, wilde ik dat goed doen. Ik heb mij laten begeleiden door businesscoaches. En van die businesscoaches heb ik de gewoontes geleerd van hoe succesvolle ondernemers acteren. Dus dat houdt in dat je je tijd op de goede manier besteed. Je werkt aan de grote keien. Je weet je doel. Je wilt daarnaar toe. De drie belangrijkste stappen om daar te komen zijn x, y en z. En de rest doe je niet. Om daar te komen heb je goede relaties nodig. Het is belangrijk om veel goede relaties te hebben en zichtbaar te zijn. Je wilt die vuurtoren zijn. Dat is je marketing. En daarvoor heb je goede gesprekstechnieken nodig. Je wilt een ja hebben op je voorstel. Wat wil je bereiken in gesprekken en hoe doe je dat? En daar zijn technieken voor. En één daarvan is die vuurtoren. Zichtbaar zijn.’

Het deed Debby denken aan een formule die een coach al een paar jaar geleden aan Debby had verteld. E = A x K of A = K x E. Of misschien nog wel een andere variatie daarop. Waar het op neer kwam was dat niet alleen de kwaliteit van je werk goed moest zijn, maar je moest ook investeren in de relatie, de acceptatie. En dan pas kreeg je een groot effect. Als oranje, doelgerichte sinaasappel was Debby wel goed in kwaliteit, maar verloor ze de relatie wel eens uit het oog. Ze ging er iets te automatisch van uit dat iedereen aan hetzelfde hogere doel werkte, namelijk de inwoners. En dat was waarschijnlijk ook, maar er leiden meerdere wegen naar Rome en soms moet je er wat effort in steken om iedereen jouw weg te laten volgen.

Ester vervolgde haar verhaal. ‘Eigenlijk moet je twee dingen kunnen als ambtenaar. Nummer één is de juiste dingen doen. En nummer twee anderen meekrijgen. Als je dat kunt, heb je succes. Niemand kan dingen in zijn eentje doen. En niemand is succesvol die alleen, maar aan het ronddraven is en zich bezighoudt met onbelangrijke dingen.’

Daar had Ester een punt. De goede dingen doen en anderen meekrijgen. Maar hoe? Hoe wist je of je de juiste dingen deed. En hoe kreeg je anderen mee? Toch maar aan Ester vragen. ‘Hoe?’, wist Debby uit te brengen.

Ester zag de vraagtekens op Debby’s gezicht, en zei geruststellend. ‘Het is niet zo moeilijk allemaal. Werk aan die onderwerpen waar jij in geloofd, waar jouw talenten liggen. Daar heb jij de meeste impact.’

Debby vond dat erg logisch klinken, maar hoe kreeg je anderen mee.

‘Eerst ga je kijken wie je allemaal nodig hebt. Je hebt die directeur nodig, die wethouder, die ondernemer, noem maar op. Voordat je ze nodig hebt, ga je eerst een goede relatie met ze opbouwen. Zodat het straks voor hun makkelijker wordt om ja te zeggen tegen je voorstel. Dan ben je al behoorlijk strategisch bezig. Nou als je dat doet ben je een zaklantaarn. Dan heb je een beperkte lichtbundel met daarin een aantal mensen waarvan je weet die zijn belangrijk voor mijn dossier. Dan ben je al heel goed bezig.’

Debby besefte wel dat dat nodig was, maar ze ging eigenlijk altijd gelijk op haar doel af. Geen kennismakingsrondje. Maar gelijk hop een schop voor open doel om er vervolgens achter te komen dat het doel niet open was. Ze was namelijk vergeten in de relatie te investeren.

Ester ging verder. ‘Maar als je nog verder wilt? Als je wilt dat je dossier nog veel meer impact heeft, dan moet je een vuurtoren worden. Een vuurtoren laat zien wat hij is. Hij laat zijn licht stralen door de lucht. En niet omdat hij daarmee mensen zoekt, maar anderen vinden hem. En dat maakt echt het grote verschil, want dan kom je erachter dat de mensen die jij helemaal niet had bedacht dat die ook veel kunnen betekenen in jouw project. En dan krijg je ook echt die verbindingen ook?’
‘En die vuurtoren? Dat is dan je marketing?’, vroeg Debby.
‘Ja’, zei Ester. ‘Dat is de zichtbaarheid van je project.’

Die laatste opmerking zette Debby aan het denken. ‘Weet je Ester. Mijn techniek is de afgelopen tijd geweest om onder de radar te werken. Niet zichtbaar te zijn, maar met een beperkte groep mensen hard te trekken aan een project. Ik was bang dat als het politiek zou worden, dat het project minder voortgang zou hebben. Ik heb nu in alle rust en zonder politieke bemoeienis kunnen werken. Nu vraag ik mij af of dat de juiste keuze is geweest. Eén, het is niet zichtbaar wat ik allemaal heb bereikt. En daar baal ik van. En twee ik heb nu in mijn eentje zitten trekken en wellicht had dat samen veel gemakkelijker geweest. En het was veel makkelijker geweest voor ze om ja tegen mijn voorstel te zeggen.’

‘Klopt’, zei Ester. ‘En het neveneffect is dat je eerder voor de juiste projecten gevraagd. Dingen die echt bij je passen. In plaats van de restjes. Dat kan zichtbaarheid je opleveren. En … jijzelf bent niet zichtbaar geweest, maar je project ook niet. Je werk blijft dus ook onder de maat. En weet je wat het mooie is? Van deze ervaring leer je weer. Die ervaring kun je meenemen en ervoor zorgen dat jij en je project de volgende keer wel zichtbaar zijn. Want als je reactie is, dan houd ik het maar klein, dan kom je nooit ergens.’

Dat deed Debby denken aan haar eerdere gesprek met Saakje Bakker, faalkundig expert. Het is belangrijk om dingen fout te doen. Daar leer je van. Niet dat Debby dit fout had gedaan. Het had gewoon beter gekund. Als ze de volgende keer gewoon wat minder een schijterd zou zijn, en zou stralen als een vuurtoren, dan zou de impact van haarzelf en haar projecten de volgende keer groter zijn. Dus vroeg ze aan Ester, ‘Heeft dan toch weer te maken met het overwinnen met angst?’

Ester knikte. ‘Voor je eigen dossier zou je je nooit zo moeten inhouden. Het is ook best eng. Mensen gaan er iets van vinden. Communicatie naar anderen vinden we heel erg eng. Dat soort dingen zijn we heel erg geneigd om door te schuiven naar anderen. Naar een communicatieadviseur of een wijkmanager of een extern bureau. Dat is zo zonde. En die andere kan het nooit zo goed als jij.’
‘Waar komt de angst voor communiceren vandaan?’

Ester nam nog maar eens een hap van haar croque madame en reageerde, ‘Dat zit echt in ons oerbrein, in ons reptielenbrein. We hebben eigenlijk twee oerangsten. De één is dat we het niet kunnen. Faalangst. Dat het niet goed genoeg is. De andere is de angst voor afwijzing. Iedereen heeft wel een jeugdherinnering dat hij niet mee mocht spelen. Het feit dat dat 40 jaar in je hoofd blijft hangen, geeft wel aan hoeveel impact dat heeft op mensen.’

Dat herkende Debby wel. ‘En dan ga je je aanpassen.’

‘En dat was vroeger ook heel belangrijk. Als je niet bij je groep hoorde, dan was je ten dode opgeschreven. Dat is nu niet meer. En toch … als we nee horen, dan maken we het heel erg groot. Maar dat zit gewoon in ons brein.’

Debby lachte, ‘Het is echt vechten tegen de evolutie.’

‘En als je dan gaat praten met een inwoner, maak je hele verhalen in je hoofd over wat er allemaal mis kan gaan. En dat kan niet, want je bent een professional. Zo zonde. Je zet jezelf zo ontzettend klem.’

‘Klopt helemaal’, zei Debby. ‘Die drie pijlers … de juiste dingen doen, relaties leggen en onderhouden, en de juiste gesprekstechnieken … het klinkt allemaal zo logisch. En toch doen we het niet. Ten minste … ik niet. Ik zie andere collega’s het wel doen. Het lijkt wel of het hen van nature zo afgaat. Bij mij is dat niet. Dit is echt iets waar ik aan moet werken. Door de waan van de dag merk ik echt dat ik met name het opbouwen van relaties vergeet. Ik wil dan te snel gaan. Even een lijstje afvinken. En dan vraag ik me aan het einde van de dag echt af of ik wel de juiste dingen heb gedaan.’

Ester luisterde aandachtig en zei toen, ‘Je hebt denktijd nodig en verwerkingstijd. Je kunt niet de hele dag als een kip zonder kop rondrennen en dan verwachten dat je succesvol bent. Neem je tijd om na te denken.’

Die tip had Debby al eerder gekregen. Marieke van Dijk was een warm pleitbezorger van lummelen. Lummelen was het ogenschijnlijk bezig zijn met geautomatiseerde handelingen waarbij gedachten vrijelijk kunnen springen in je brein. Je bent met iets bezig, maar je hebt je brein vrij. Zou dat hetzelfde zijn?

Ester schudde haar hoofd. ‘Denktijd is niet hetzelfde als lummelen. Het is beide belangrijk. Bij lummelen denk je even nergens aan en komt er ruimte vrij voor creativiteit. Bij denktijd denk je dus wel ergens aan en zet je de boel even goed op een rijtje. Wat wil je bereiken? Welke drie grote stappen zijn daarvoor nodig? En wie heb je dan nodig?’

Ja. Debby besefte nu wel dat het twee verschillende dingen waren, maar wel even belangrijk. Het was tijd om het geleerde in de praktijk te brengen. Als Debby een betere raamambtenaar wilde worden, moest ze nu echt uit het raam stappen. Dus niet alleen met experts praten, maar ook met de echte experts gaan praten. De inwoners. De initiatiefnemers. Wat maakte voor hun een goede raamambtenaar? Ze zou in gesprek gaan met een initiatiefnemer van een hulpkring binnen haar gemeente. Ze was nieuwsgierig wat dit gesprek haar zou brengen.